| Aantekeningen |
- Wikipedia
De overgang van het katholicisme naar het protestantisme in 1594 verliep in Onstwedde vrij geruisloos. Waarschijnlijk waren de pastoors al sinds het midden van de zestiende eeuw luthersgezind. Pastoor Albert Colters (ca. 1541 - ca. 1578) had als commissaris namens de hertog van Aremberg tevens de leiding van de geestelijke rechtspraak in Westerwolde. Na hem kwam Berent tho Unsde, die op zijn beurt in 1589 werd opgevolgd door lic. Johannes Mensynck (ov. 1606). Mensynk was tevens jurist. Omstreeks 1597 ging hij over tot de gereformeerde kerk, waarna hij zijn gemeente nog negen jaren diende. Vermoedelijk gaat het om de oud-pastoor van Meppen, Johannes Mensing, die in 1577 zijn ambt neerlegde na een conflict met het stadsbestuur. Hij was tevens kanunnik in Münster en gold als "het prototype van een lutherse kerkheer", die van alle walletjes at.[5] De pastoor werd bijgestaan door een vicarius. Dit waren onder andere heer Herman (1566) en Henricus Stroet (1589).
Ook Mensynks opvolgers kwamen uit het Duitse grensgebied. Justinus Havenberg (1612-1615) was geboren in Wezel, Matthias Fabricius (1615-ca. 1619) was eerder luthers predikant te Holte-Lastrup (Emsland), maar werd in opdracht van de katholieke bisschop afgezet. Johannes Friderici (1619),die maar korte tijd bleef, was eveneens een vluchteling uit het prinsbisdom Münster. Johannes Fabricius (1619-ca. 1631/32) volgde zijn vader op; Johannes Henrici Francq (1633-1669) stamde mogelijk uit Oost-Friesland.
In Duitsland hadden de lutheranen over het algemeen weinig problemen met katholieke overblijfselen in de kerk. Dat gold ook voor de inwoners van Onstwedde. Dit tot ergernis van de strenge calvinisten. Rond het midden van de 17e eeuw werd nog herhaaldelijk geklaagd over de aanwezigheid van "een scandaleus sacramen(t)shuijs", "een paeps altaer", een miskelk en uitsteeksels waarop eerder heiligenbeelden hadden gestaan. Herhaaldelijk beloofden de predikanten te "ijveren tegen de paepsche overblijfselen". Vooraanstaande inwoners pleitten bovendien voor het weer invoeren van de plechtige lijkpredicaties uit het verleden. Pas in 1682 bleek het altaar verwijderd te zijn. Vermoedelijk heeft men omstreeks deze tijd ook het doopvont afgevoerd.
In de kerk staat een gotisch doopvont van Bentheimer zandsteen, vermoedelijk uit 1524. De datering is omstreden; in de plaatselijke geschiedschrijving worden de jaartallen 1124 en 1324 genoemd.[8] De gotische stijl en het gebruik van de volkstaal zijn daarmee echter in tegenspraak. Dit doopvont werd, nadat Onstwedde zich aansloot bij de Reformatie, uit de kerk verwijderd. Het kwam terecht in de buurtschap Veenhuizen, even ten zuidwesten van Onstwedde. Daar heeft het eeuwenlang dienst gedaan als drinkbak voor vee en waarschijnlijk ook als slijpsteen voor messen. In 1950 bood de toenmalige eigenaar het doopvont aan de kerk aan. Omdat het kerkbestuur het doopvont 'slechts' in de toren wilde plaatsen trok de eigenaar zijn aanbod in. In 1989 werd alsnog een afspraak gemaakt voor terugplaatsing in de kerk en in 1991 werden de eerste drie kinderen uit het oude doopvont gedoopt.[9]
|